Hoofdstuk I : Vooraf

Al vanaf zijn vroege jeugd was Valery De Saedeleer onhandelbaar door zijn problemen met het gezag: met zijn vader Ludovicus die hem voorbestemd had om het ouderlijk sodafabriekje over te nemen, met diverse scholen, waar hij zich vooral als lastpost deed gelden, en met textielfabrikant De Leener te Gent waar zijn radeloze vader hem, de totaal ongeïnteresseerde leerjongen had kunnen plaatsen. Toen hij als vijftienjarige van zijn ouders de toelating gekregen had om de lessen decoratieschilderen aan de Gentse nijverheidsschool te volgen, liet hij het ook daar spoedig afweten.

Zelfs daar waar hij te Gent op eigen initiatief en zonder medeweten van zijn ouders lessen volgt aan de Academie voor Schone Kunsten, houdt hij het niet vol: hij vindt een academische opleiding meer afradend dan inspirerend. Hij krijgt daar dan ook voor “gedrag” de aantekening “klapper”. Maar het belangrijkste hier is dat hij er George Minne leerde kennen, zijn vriend voor het leven.

Valery, die voortdurend aanvaringen had met het gezag, heeft geen legerdienst moeten doen. Of dit voor hem een goede zaak geweest is, weten we niet. Hoe dan ook, in 1887 werd hij vrijgesteld van militaire dienst omdat zijn tien jaar oudere broer Arthur Camille (geb. 1857) al acht jaar legerdienst had volbracht. Als beroep gaf De Saedeleer voor zijn legerdossier toen “peintre décorateur” op.

In 1887, hij is dan twintig, verlaat de weerspannige zoon met slaande deuren het ouderlijk huis en trekt naar Brussel. Volgens  Andre Muylle vindt hij er onderdak en maaltijden bij onder andere mecenas Henri Van Cutsem en gaat er in de leer bij de impressionistisch-realistische (landschap)schilder Franz Courtens uit Dendermonde.

Net als zijn pupil was ook leermeester Franz Courtens door zijn artistieke aspiraties, gebrek aan studiezin en handelsgeest in conflict geraakt met zijn vader, wiens olieslagerij hem absoluut niet interesseerde. Ook Franz Courtens liep van huis weg, had de sprong in het onbekende gewaagd toen hij  in 1874 zonder zicht op de toekomst naar Brussel trok, maar toen Valerius De Saedeleer in 1887 bij hem in de leer ging, was Courtens’ leven al een succesverhaal en was hij erkend en gevierd.

De pleinairist Courtens had al in 1878 in Nederland en Vlaanderen rondgezworven en toen De Saedeleer  bij hem in de leer ging, trok hij in Courtens’ spoor door deze streken en plantte zijn ezel onder andere in onze gewesten te Dendermonde, Hamme, Bornem, maar ook in Nederland, bijv. te Vogelenzang en Philippine. Hij schilderde in de trant van Courtens: in open lucht, vlug, onafgelijnd en met smeuïge dikke verflagen.

Valerius De Saedeleer kreeg het in die tijd hard te verduren, “waarin hij talloze malen verhuist en al worstelend, vaak werkend op een lege maag, zijn draai probeert te vinden”.  Kon hij zich voor die lege maag toen ook al behelpen met mosselen, gratis mosselen die hem ook later dikwijls samen met wafels, pannenkoeken en haring zijn honger hielpen stillen?

Hij zou zeventien jaar onder de invloed van Courtens blijven en “impressionistische landschappen en figuren schilderen, gelijk hij tot hij in 1904 – hij was toen al zevenendertig – zijn eigen stem vond met het schilderij Kalme avond aan de rivier en doorbrak met De Leie op een grijze dag.

Lees verder in Hoofdstuk 2.