Hoofdstuk III : Blankenberge 1890

Het Blankenberge waarin ze aankwamen, was in korte tijd veel veranderd: in 1890 had het al een grote ontwikkeling van vissers- en boerendorp naar elitaire badplaats met internationaal publiek doorgemaakt. Of zoals Eduard Daveluy zegt: “De zomer brengt duizenden vreemdelingen naar Blankenberge; iedereen komt naar zee, van vorsten en prinsen tot de kleinburgers, die aangetrokken worden door de lage prijzen van de pleziertreinen; en tijdens  het ‘seizoen’- dat begint op 1 juni en eindigt op 30 september – moet het gracieuze stadje aan de talloze bezoekers van verschillende nationaliteiten en smaken tijdens enkele weken elke soort verstrooiing en feesten bieden die hen een aantal weken te Blankenberge houden en hen de volgende jaren terug naar zee doen 
komen.”

Na Oostende was Blankenberge toen de belangrijkste badplaats van de Oostkust. Ook te Blankenberge was er in 1890 een groot verschil tussen de plaatselijke bevolking van 4.375 en 24.521 ingeschreven ‘étrangers’.

Blankenberge was voluit als badplaats doorgebroken met de opening van de treinverbinding met Brugge in augustus 1863 (en met Heist in juli 1868). Bovendien liep er vanaf augustus 1886 een tram tussen Blankenberge en Oostende. Deze stoomtram passeerde met de nodige hinder engevaar door de Weststraat, ook nog toen Valerius De Saedeleer er woonde.

Hoe zag het Blankenberge van 1890 eruit? Hier volgen een paar voorbeelden van wat er  toen in het Blankenberge van de Belle Époque nog maar recentelijk bestond en wat dus een deel uitmaakte van het decor waarin de De Saedeleers circuleerden. Naast items van oudere oorsprong werden er in het voorafgaand decennium onder andere nog gebouwd of aangelegd: de Rijksmiddelbareschool in de Onderwijsstraat (1883 – straks onderdak voor de Stadsbibliotheek); het Postgebouw (1886; hoek Casinostraat-Hoogstraat, nu cultuurcentrum De Benne); het Stedelijk Casino (1886, gokken vanaf 1888); aansluiting op het telefoonnet (1887); de Rijkswachtkazerne (1887; in de Kerkstraat, op een paar tientallen meter ten zuiden van de Sint-Antoniuskerk); de Vismijn (1888 – Consciencestraat, tegenover Leopoldpark); de toeristenkerk Sint-Rochus (1889; vooralsnog zonder toren).
De pier zou er pas komen in augustus 1894.

Lees verder in Hoofdstuk IV