Hoofdstuk XIII : Faillissement

Ondanks het feit dat het seizoen 1890 een topseizoen was geweest, raakten de De Saedeleers in financiële moeilijkheden. Laten we A. Muylle aan het woord: “Het geld dat de jonggehuwden van huis hadden mede gekregen, smolt als sneeuw voor de zon en na drie, vier jaar raakte moeders winkel uitverkocht, en moest men vaststellen dat er aan alles een einde komt, zelfs aan het schoonste luilekkerleventje.” [Het was niet drie, vier jaar, maar ongeveer anderhalf jaar: vanaf hun aankomst te Blankenberge januari 1890 tot het faillissement eind juni 1891 – F.S.]

Wat Muylle het “luilekkerleventje” noemt, moet toen al een tijdje voorbij geweest zijn. In juni 1891, het eigenlijke seizoen was nog maar net begonnen, vraagt Clementinebij deRechtbank van Koophandel te Brugge het concordaat aan. Het wordt haar geweigerd en op 29 juni 1891 spreekt de Rechtbank over “Clementine Limpens (…), boutiquière à Blankenberghe”  het faillissement uit. De kennisgeving hiervan staat prompt de volgende dag in Le Journal de Bruges et de la Province.

Als we ons de 40.000 frank herinneren die Clementine voor haar winkel meegekregen had, kunnen we ons een idee vormen van de grootte van die ‘bruidsschat’ als we die 40.000 frank vergelijken met de 41.200 die de verkoop van de twee huizen had opgebracht en ons erover verwonderen hoe die na amper anderhalf jaar in rook konden zijn opgegaan. Heeft Valerius zelf het bedrag niet overdreven tegenover Gustave van de Woestyne?

Ze hadden wel moeten afrekenen met tegenslagen: Blankenberge had toen nog geen rioleringsnet en na dagenlang regenen was hun winkel eens overstroomd waarbij de schade groot was. De andere tegenslag was wellicht ook hun gedwongen verhuizing van de Vissersstraat naar de Weststraat. Maar dé reden zal wel geweest zijn: “(…) maar ja, de klanten van den winkelier vonden maar al te dikwijls een gesloten deur.” En ook étrangers  die bij hen logeerden, vonden we enkel in LVDLC nr. 9 van 16 augustus.

Valerius geeft een heel andere uitleg en vertelt aan Gustave van de Woestyne: “(…) dat ze geen enkele klant zagen en ze genoodzaakt waren de koekjes, vijgen, bloem, koffie, suiker, enz., enz. zelf op te eten en dat ze na zes maanden op straat gezet werden omdat ze bankroet waren. De veertigduizend franken waren gaan vliegen en het jonge paar was zo arm geworden als de straat.” [Het was niet “na zes maanden”, maar na ongeveer anderhalf jaar – F.S.]

En dan, na de lange wittebroodsweken, begon een ander leven dat P. Haesaerts beschrijft als: “Het jonge koppel kende er dagen van armoede, met soms, voor de hele dag als enig voedsel wat mosselen en bruin brood.” De inboedel werd openbaar verkocht. Hoeveel de verkoop opbracht, hebben we niet kunnen vinden, maar er was blijkbaar overschot na de afrekening bij crediteuren en gerecht, want: “De totale opbrengst van het verkochte werd dan ook aan Mr Wauters toevertrouwd, met afspraak, dat hij aan Valerius maandelijks een bepaalde som, maar ook niets meer, zou afdragen. Hoe Valerius na de afspraak bij  Mr Wauters ook aanklopte om meer geld dan het afgesprokene te verkrijgen, laatstgenoemde week geen duimbreed van het gesloten akkoord af en Valerius moest er zich bij neerleggen en ’t was wel best zoo.”


Lees verder in Hoofdstuk XIV