Hoofdstuk XVII: Naar Lissewege

Ontgoocheld verhuist hij naar Lissewege. Hij en Clementine zullen er verblijven van 29 november 1895 tot 10 november 1898. Ze gaan er wonen in de Dorpsstraat 75 (nu Ter Doeststraat 73) waar in de 50er jaren de legendarische boer Joseph ‘Tsjeppen’ Galle woonde die ik als kleine jongen dikwijls zijn laattijdige oogst heb zien en horen binnenbrengen.

Het huis was bekend bij het kadaster onder B 808 A en was eigendom van Constant Vankersschaever, landbouwer en tevens gemeenteraadslid te Lissewege. Op financieel gebied zou Valerius De Saedeleer te maken hebben, of beter gezegd, problemen hebben met twee Vankersschaevers: met zijn huisbaas Constant Vankersschaever voor de huishuur en met Medard Vankersschaever, die gemeenteontvanger was, d. w.z. ontvanger van belastingen.

Valery D’Hondt beschrijft De Saedeleers ‘uitwijking’, nieuwe woonst en omgeving als volgt: “Ontgoocheld door een strijd die hem alleen leugen en eigen belang had leeren kennen, keerde hij de groote stad met hare kwade gistkiemen den rug toe en vestigde zich te Lisseweghe bij Blankenberghe in een vredig, witgekalkt huisje met helgroene luiken, een schilder-achtig, vroolijke woning waarin de lichtstralen lachend binnen dringen konden, te midden van de buitenstilte der rustige streek met haar verkwikkend en lavend uitzicht op groote en oneindige vlakten.”

Afb. 14 – Eertijds  Dorpsstraat 75,
 nu Ter Doeststraat 73,
in zijn huidige toestand (Foto F. Styns)

In 1895 was Lissewege veel uitgestrekter dan de gemeente die ze was toen ze in 1971 door Brugge werd opgeslorpt. In het noorden grensde het dorp in 1895 aan de Noordzee, in het oosten aan Heist en Ramskapelle, in het zuiden aan Dudzele en in het westen aan Uitkerke en Zuienkerke. Het dorp was een overwegend landbouwersgemeente.

Zoals het de gewoonte was om vader Ludovicus de Saedeleer als een ondankbare stijfkop af te schilderen, zo wordt het Lissewege van toen traditioneel voorgesteld als het rustige, vredige dorp waar De Saedeleer ging bekomen van zijn Gents avontuur.

Dit laatste mag kloppen, maar Lissewege was toen het rustige vredige dorp niet meer. De gemeente beleefde toen immers een van de zwartste bladzijden uit haar geschiedenis: de aanleg van de haven van Brugge-aan-zee, te verbinden met de haven van Brugge via een kanaal. Dit kanaal zou Lissewege middendoor snijden in een oostelijke en westelijke helft. In haar zitting van 20 september 1895 stelde de Lisseweegse gemeenteraad vast dat dit kanaal op een lengte van tien km daarvan ongeveer zeven km door Lisseweegs grondgebied zou lopen, “doorsnijdende de bijzonderste zandstraten en den voornaamsten steenweg genaamd ‘de kalsijde’ van het dorp naar de zeesluizen, en latende alzoo langs den westkant de dorpplaats met al de huizen der ambachten en neeringdoeners, en aan den oostkant een dertigtal hofsteden en koeimelkerijen, alsmede een vijftigtal werkmanswoonsten, maken een gezamentlijk getal uit van meer dan 500 inwoners.”

Toen De Saedeleer te Lissewege kwam wonen eind november 1895, was het nieuws van Brugge-aan-zee dus al te Lissewege bekend.

Te Lissewege was men  niet zozeer tegen de haven maar wel was er hevige discussie over de “menigvuldige onaangenaamheden, schaden en
verliezen”
voor het dorp dat middendoor gesneden zou worden door het onvermijdelijke kanaal en uiteindelijk over het twistpunt wie de brug over het kanaal zou krijgen, Dudzele of Lissewege.

Wat de sociale impact betreft: aan de ene kant werden er westelijke landbouwers afgesloten  van hun land, handelaars en ambachtslui zouden ongeveer een derde van hun klandizie verliezen; aan de andere kant raakten de oostelijke landbouwers en anderen afgescheiden van gemeente, kerk school, dokters, vroedvrouwen, ambachten en werkvolk. En Dudzele bedankte feestelijk voor gebiedsruil waarbij het Lisseweegse oostelijk gebied Dudzele zou worden, en het westelijk gebied vice versa.

Heeft De Saedeleer onder de vele kijklustigen niet staan kijken hoe voor de aanleg van het kanaal eeuwenoude hoeves gesloopt werden; huizen en wegen afgebroken; begroeiing over een oppervlakte van tien kilometer bij zeventig meter verwijderd; hoe honderden arbeiders -voorheen waren ze meestal boerenknechten – over dezelfde oppervlakte met de spade de bovenlaag van de grond tot op een diepte van een meter afgroeven en deze grond dan met de kruiwagen wegvoerden; en heeft hij de nieuwe sensationele luidruchtige zuigbaggermachines niet gezien of gehoord? Tenslotte woonde hij maar een goede vijfhonderd meter vanwaar het Boudewijnkanaal door Lissewege trok.

Uiteindelijk wordt voor het kanaal ruim 168 ha aan Lissewege ontnomen door Brugge. Het is Dudzele dat de brug krijgt en Lissewege moet het stellen met overzetboten.

Het was echter niet allemaal kommer en kwel, maar ook dit droeg op zijn beurt niet bij tot een kalm Lissewege: door de havenwerken was er in de streek werkzekerheid voor jaren waarbij de havenarbeiders voor dit groot gedelf ‘schoon geld’ verdienden. Een boerenknecht verdiende toen 1,25 frank per dag, een havenarbeider 3,60, dus bijna het drievoudige. Geen wonder dat veel knechten de boerenstiel opgaven. In 1897 en in 1898 waren er voor de havenwerken ruim duizend zeshonderd arbeiders tewerkgesteld.

Dat die werken voor de haven grote aantrekkingskracht hadden, kunnen we ook afleiden uit de evolutie van de bevolking. Het armbestuur geeft voor dienstjaar 1896 een bevolking van tweeduizend zielen op; voor dienstjaar 1898 zijn het er al tweeduizend achthonderd. Het tweede deel van dit artikel volgt in het volgende nummer van “Rond de Poldertorens” De integrale referentielijst verschijnt in het tweede deel van dit artikel.

Terug naar Hoofdpagina.